Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

 hulsen  Le Père Cor HULSEN
né le 18 juillet 1913 à Nimègue
dans le diocèse de 's-Hertogenbosch, Hollande
membre de la SMA le 15 juillet 1934
prêtre le 18 décembre 1937
décédé le 16 décembre 1991
 

1939-1948 missionnaire en Gold Coast
Amisano, professeur au séminaire
1948-1950 Rome, étudiant
1951-1967 Amisano et Pedu, professeur
1967-1969 Louvain, étudie les religions africaines
1969-1970 Cadier en Keer, Africa Centrum
1971-1972 Winneba, recherches sur l’église du Ghana
1974-1977 Afrique du Sud, enquêtes
1977-1991 Nimègue
supérieur, puis retiré en 1989
1991 Oosterbeek, retiré

décédé à Arnhem, Hollande, le 16 décembre 1991,
à l'âge de 78 ans

Pater Cor HULSEN (1913 - 1991)

Afkomst.

Cornelius Gerardus Hulsen, zoon van Cornelis Hulsen (1882 - 1944) en Anna Maria Schraven (1886 - 1969), werd geboren te Nijme¬gen op 18 juli 1913 en gedoopt in de parochiekerk van de H. Anto¬nius van Padua in de Groenestraat. Cor, zoals hij thuis werd genoemd, was de derde in een gezin van 5 jongens en een meisje. Vader was timmer¬man.

Opleiding.

Na de lagere school ging Cor Hulsen in 1926 naar het onlangs geopend opleidingshuis voor missionarissen van de Afrikaanse Missiën te St. Michielsgestel. Vandaar ging hij in 1928 naar Cadier en Keer. Zijn philosophie studeerde Cor te Bemelen en daar werd hij ook, door eedaflegging op 15 juli 1934, lid van de Sociëteit. Vervolgens ging hij naar het seminarie 'Ore Place' te Hastings voor de theologie. Daar kwam zijn oudere broer Herman afscheid van hem nemen: deze ging als bouwvakker emigreren naar Zuid-Afrika, en zou later een zeer belangrijke rol in het leven van zijn broer vervullen.

Met zijn klasgenoten werd Cor op 18 december 1937 in de kapel van het seminarie door Mgr. P. Amigo tot priester ge¬wijd.
Tijdens zijn studies was de beoordeling van de staf altijd zeer positief, hoewel hij wat gereserveerd en gesloten van karakter was. Zijn intellectuele capaciteiten werden briljant genoemd. Maar het laatste studiejaar zat hij wat in een impas¬se. In april 1938 werd gerapporteerd:
"Le père Hulsen est d'un temperament nerveux; bienque doué de belles qualités intellectuelles, il ne semble pas opportun de lui faire des études supérieures, du moins pas les premières années.
Si l'on veut le faire étudier, c'est vers la philosophie qu'il faudrait le tourner. Peut-être a-t-il une peur in- consciente de l'Afrique. Cette année, il a passé par une crise nerveuse, il faudra attacher beaucoup d'importance au rapport médical qui mérite toute notre attention".
Hij was inderdaad begaafd met daarbij een uitzonderlijk sterk geheugen en opmerkingsgave.

Missionaris.

Pater Cor Hulsen was één van de acht van zijn klas, die be¬noemd werden voor de missie van de Goudkust. Hij was de vijfde van hen die bestemd waren voor het seminarie te Amisano. De meesten van hen vertrokken begin november, doch Kees, zoals hij door confra¬ters gewoonlijk genoemd werd, vertrok later. Hij had een moeilijk afscheid. Zijn vader was al een maand of drie ziek en Kees moest naar het ziekenhuis om afscheid van hem te nemen in de geest van 'tot weerziens in de hemel'. Ze hebben elkaar inderdaad niet weer kunnen ontmoeten. Hij stierf op 19 januari 1944. Negen maanden later, toen Kees op vakantie was bij zijn broer in Zuid-Afrika, vernam hij het nieuws van zijn dood. Op oudejaarsdag, 31 december, 1938, brachten een oom en zijn oudste broer pater Cor Hulsen naar de boot 'Maas¬kerk' in Amsterdam. Vier collega-missionarissen keerden, na hun vakan¬tie, terug naar Ghana. Kees deelde zijn 'cabin' (scheeps¬hut) met pater Theo Cup. Deze vertelde hem, dat zijn vader al aardig op leeftijd was en dat ook hij zijn vader mogelijk nooit meer terug zou zien. Dit bleek juist te zijn, doch niet zoals hij dat in gedachte had. Hijzelf stierf op 8 juli 1940, op 34-jarige leeftijd, aan zwartwater¬koorts.

De 'Maaskerk' bracht de missionarissen in 19 dagen naar Tako¬radi. In Amisano ontmoette Kees zijn vier klasgenoten, die twee maanden eerder waren aangekomen en de vijf leden van de 'oude' staf. Pater Mathieu Wouters was de overste. Pater Hulsen werd benoemd tot leraar latijn en dat is hij geweest voor 3 jaar. Eind 1941 kwamen er belangrijke veranderingen. Vanwege de oorlog en de strijd in noord-Afrika was de britse Royal Air Force (R.A.F.) van plan een vliegveldje aan te leggen in het onbewoond en achter¬af gele¬gen¬ gebied in de buurt van het seminarie te Amisano. De gebou¬wen van Amisano werden gevorderd voor de inkwartiering van het technisch personeel van de R.A.F.

Het seminarie werd ondergebracht in het St. Augustine's Colle¬ge te Cape Coast. Het kleinseminarie werd min of meer geïncor¬poreerd in deze middelbare school. Het grootseminarie kreeg op de campus van St. Augustine College een eigen afdeling en bleef een zelfstandige eenheid. Pater Cruts begeleidde de kleinseminaristen; de andere stafleden kwamen vrij en kregen benoemingen voor het pastorale werk in parochies, behalve Cor Hulsen. Hij werd benoemd voor het grootseminarie om de dogma¬tiekpro-fessor Antoon van Hout te vervangen, die benoemd werd voor de missie¬post van Asankrangwa. In november 1943 werd Amisano weer vrijgegeven.

Vanwege de oorlog was er geen kans om na vijf jaar missiear¬beid op vakantie te gaan. Cor Hulsen en Pierre Cruts besloten samen op vakantie te gaan naar Zuid-Afrika, waar Herman Hul¬sen, de broer van Cor, intussen bezig was een flink aannemers¬bedrijf op te zetten. De twee avontuurlijke missiona¬rissen vertrokken 29.05.1944 en reisden naar Belgisch Congo. Vandaar gingen ze per boot de Congo-rivier op, om daarna met de trein door te reizen naar Durban in Zuid-Afrika. Jaren nadien kon pater Hulsen hierover nog smakelijk vertellen.
Intussen kwam er een eind aan de oorlog, doch zij hadden de grootste moeite om weer transport terug te vinden naar de Goudkust. Eindelijk arriveerden ze daar in augustus 1945.
In 1946 kwam het vervoer tussen Europa en Afrika weer wat op gang. In mei 1946 werden 3 nieuw aangekomen missionarissen benoemd voor het seminarie te Amisano: Gooren, Lieben en Meulepas. Overste Piet Derickx ging met vakantie en Cor Hulsen werd benoemd om hem als overste te vervangen.

Het bezoek, in maart 1947, van de Apostolisch Delegaat voor brits Afrika, aartsbisschop David Mathew, had vérstrekkende gevolgen. Er moest een beter gekwali¬ficeerde staf voor het seminarie komen. Ierse S.M.A.-leden werden aan de staf van het semi¬narie te Amisano toegevoegd, waarvan Phil O'Shea als Rector van het seminarie overnam van Cor Hulsen.
Pater Hulsen ging in mei 1948 naar Nederland op vakan¬tie. Daarna, in sep¬tember, ging hij voor verdere studie naar Rome, evenals de seminarie-stafleden Lieben en Meulepas.

Ze verbleven in het toenmalig generalaat van de Sociëteit aan de Via dei Gracchi. Op 21 juni 1950 verdedigde Kees Hulsen aan het "Ponti¬fi¬cium Institutum 'Angelicum' de Urbe" voor Profes¬sor Matthijs O.P. zijn dissertatie over het bestaan van een 'Limbus puerorum'. In 1965 heeft hij deze dissertatie laten drukken bij de Catholic Mission Press in Cape Coast. Professor M. Matthijs O.P. van het 'Angelicum' schreef op 23.03.1966:
"Ik heb uw boekje 'Unbaptized infants' ontvangen en ben blij dat u deze studie hebt willen uitgeven. Ik herinner me zeer goed dat U een goede dissertatie daaromtrent als doctoraatsthesis hebt gepresenteerd.
Nu zou U recht hebben de doctoraatstitel te krijgen op voorwaarde dat u 50 exemplaren stuurt aan ons secretari¬aat, en daarvoor een nieuwe omslag laat drukken, zoals op bijgevoegd blad, met de namen van de censoren langs binnen."

In januari 1951 was Kees terug in Amisano waar hij nu profesor in dogmatische theologie werd. In juli 1951 werd hij door de aartsbisschop benoemd als lid ('consultor') van zijn Raad. In juni 1952 volgde de benoeming om weer over te nemen van Phil. O'Shea en opnieuw, doch nu gekwalificeerd, rector te zijn van het klein- en grootseminarie te Amisano.

Een indringend gesprek met de algemeen overste Stephen Har¬rington, kort voor zijn vertrek uit Rome, heeft nogal indruk op hem gemaakt. Mgr. Holland van het bisdom Keta overwoog om zijn ontslag in te dienen en de algemeen overste was reeds bezig met het selecteren van mogelijke kandidaten voor de opvolging. Later bleek zijn naam ook inderdaad op de voor¬dracht ('terna') vermeld te zijn geweest.

Op 6 maart 1957 werd de Goudkust onafhankelijk onder de nieuwe naam Ghana. Het Vaticaan was bij die gelegenheid ook verte¬genwoordigd door de Pauselijk Delegaat voor brits Oost- en West Afrika. In de onafhankelijkheidsweek kwam hij door naar Cape Coast, om aan aartsbisschop Porter de benoeming van zijn coadjutor-bisschop bekend te maken: John Kodwo Amissah, staf¬lid van het seminarie te Amisano. Met zijn vicaris Toon van Hout ging de aartsbisschop naar Amisano om deze benoeming aan de kandidaat bekend te maken. Dit was de eerste oud-leerling van pater Cor Hulsen, die tot bisschop benoemd werd. Meerderen zouden volgen.

Kort hierna werd het klein- en grootseminarie gescheiden. Het kleinseminarie bleef te Amisano, de verdere opleiding verhuis¬de in 1957 naar het nieuw¬gebouwde St. Peter's grootseminarie te Pedu, toentertijd een kilometer of drie van Cape Coast.
Kees Hulsen werd benoemd tot eerste Rector van dit grootsemi¬na¬rie. Hij is dit gebleven tot Augustus 1967. Tevens bleef hij professor in de dogmatiek en was de econoom van het seminarie. Veel tijd en aandacht moest besteed worden aan de bouwactivi¬teiten. Bij ingebruikname was slechts het stafhuis en de allernoodzakelijkste studentenaccommodatie aanwezig. Kapel, bibliotheek etc. zijn er allemaal later aan toegevoegd. Wegens toename van het aantal studenten moest ook hiervoor de voor-zieningen worden uitgebreid. Vooral de bouw van de kapel was zijn trots, waar hij aandacht schonk aan elk detail. De plech¬tige inzegening hiervan door de Apostolisch Delegaat was voor hem een zeer vreugdevolle en voldoening gevende gebeurtenis.

In 1967 maakte Cor Hulsen plaats om de africanisering niet in de weg te staan. Er speelden ook andere zaken mee, zoals de overhandiging van Pedu als regionaal seminarie van het S.M.A.¬hoofdbestuur aan de Ghanese Bisschoppenconferentie. Dominic Andoh, de latere bisschop van Accra, werd de eerste opvol¬ger van pater Hulsen. Op zijn beurt werd deze weer opge¬volgd door Peter Sarpong, later bisschop van Kumasi, en beiden oud-leer¬lingen van pater Hulsen.

Na zijn vakantie ging Cor Hulsen naar Leuven waar hij twee jaar vrijblijvend college volgde in 'african religions'.
Een traumatische ervaring was de plotselinge dood van zijn oudste broer, vader van een gezin van tien kinderen, waarbij ook moeder inwoonde, en waar Cor onder de vakanties zijn thuiskomen had. Deze bracht zijn broer met zijn auto naar Leuven doch kreeg onderweg een hartinfarct en stierf ter plekke.

Na beëindiging van zijn colleges te Leuven kwam de belangrijke vraag: what next? Meerdere opties werden overwogen: opnieuw naar Pedu, pastoraal centrum te Accra, naar het Missionary Institute (MIL) te Londen, naar Duitsland? Zoals gewoonlijk was hij nu ook traag en weifelend in zijn besluitvorming. Intussen stierf zijn moeder.
In december 1969 kwam hij naar Cadier en Keer als wetenschap¬pelijk medewerker van het Afrika Centrum, intussen tezelfder¬tijd de diverse opties wikkend en wegend. In augustus 1970 aan¬vaardde hij een studieopdracht van Pro Mundi Vita in Brus¬sel om een 'survey' te maken van de katholieke kerk in Ghana. Hij vertrok naar Accra, waar hij zijn intrek nam op het pasto¬raal centrum. Van hieruit ging hij, samen met Frans Mertens S.V.D., deze 'survey' uitvoe¬ren.

Op 11 november 1970 kreeg hij een hartinfarct en werd door Dr. Hawe opgenomen in het Ridge Hospital te Accra. Zijn dia¬gnose luidde: 'corona¬ry thrombo¬sis'. Het leek eerst zeer ernstig, doch achteraf viel het gelukkig nogal mee. In februari 1971 kwam hij terug naar Nederland voor een grondig medisch onder¬zoek, doch in april keerde hij naar Ghana terug om daar het begonnen werk voort te zetten. Hij vestigde zich nu in Winne-ba, waar in het regio¬naal huis voor hem een kamer 'air-condi¬tioned' was ge¬maakt. In 1972 kwam hij terug naar Nederland en heeft hierna in Cadier en Keer alle gegevens verder uitge¬werkt. Dit leidde tot 12 verschillende boekjes over de diverse aspecten van de kerk in Ghana.

In juni 1974 vestigde pater Hulsen zich bij zijn broer Herman te Durban in Zuid-Afrika, en werd daar 'Father Cor' genoemd. Ook daar heeft hij gewerkt aan een 'survey', op verzoek van aarts¬bisschop Hurley van Durban en medegefinan¬cierd door Pro Mundi Vita. We lezen in Cluster Publications (1999):
"After the synod and fuelled by the powerful papal docu¬ment Evangelii Nuntiandi, the South African church set up its own enquiry into the state of evangelisation in the South African context. This enquiry was called ETSA (Evangelisation Today in Southern Africa) and .. Father C. Hulsen was engaged to embark on a sociological enquiry into the state of the Catholic Church in South Africa. His report together with the subsequent events in Soweto and around the country in the late 1970s eventually led to the emergence of a Pastoral Plan for the region".

In januari 1977 kwam pater Hulsen naar Nijmegen. Provin¬ciaal Bles had hem gevraagd om overste/econoom te worden van het S.M.A.-huis 'de Fest'. Dit was het provincialaat van de Socië¬teit en tevens een studie¬huis. Zowel eigen missi¬onaris¬sen als leden van andere congregaties, die een 'sabba¬tical' deden aan de univer¬siteit, konden in 'de Fest' komen wonen. Dit huis lag op loopafstand van de univer¬siteit. Volgens de provinciaal stelde de financiële admini¬stratie niet veel voor, doch het was belangrijk, iemand in huis te hebben, die kri¬tisch kon meedenken en meepraten over bestuurlijke zaken en bovendien het vertrouwen had van de studenten. En Kees had dit vertrou¬wen! Kees was hier in zijn ele-ment. Hij had een functie en een taak, doch ook de rust en de vrijheid, die hij wenste.
Nijmegen was bovendien zijn eigen geliefde geboorteplaats.

Tijdens de provinciale vergadering van 1978 werd hij zelfs in het provinciaal bestuur gekozen met specifieke verantwoorde¬lijkheid voor de oudere en bejaarde leden. Als bestuurslid in de beleidssector was hij een waardevolle kracht, doch de bejaardensector was echter net niet zijn sterkste punt en binnen het bestuur werden de hier¬aan verbon-den praktische zaken in deze sector ook spoedig door iemand anders overgeno¬men. In de dagelijkse omgang was hij wat afstandelijk. Doch theologisch hield hij de zaak goed bij en stond open voor nieuwe ontwikkelingen. Hij bleef een gerespecteerd ge¬spreks¬partner voor studenten en jongere collega's. Intelligentie was voor hem een zeer belangrijke, en volgens sommigen zelfs een ietwat overdreven, beoordelings¬norm. Hij werkte aan een manu¬script over Namibië en werd pen¬ning¬meester van de KMM (i.e. Kommissie Missie Memoires).

Het innige contact met zijn broer Herman in Zuid Afrika bleef. Dit werd versterkt toen deze alleen kwam te wonen, nadat zijn vrouw blijvend opgenomen moest worden in een verpleegkliniek.
Elke winter ging Cor nu naar zijn broer in Zuid-Afrika en zomers kwam Herman, nadat hij zijn bouwbedrijf van de hand gedaan had, naar Neder¬land, of maakten ze samen, soms met een of meerderen van Herman's kinde¬ren of kleinkinderen, een (wereld)reis naar Japan, U.S.A. of Zuid-Amerika.

Jarenlang was Cor het vaste aanspreekpunt in het provincialaat te Nijmegen en kon zich redelijk schikken in het ongeregelde dat provincialaat annex studiehuis, met studenten van allerlei 'religieuze' pluimage, met zich meebracht. Voor de huishoude¬lijke zaken vond hij een geweldige steun en hulp bij Zr. Mamerta. Doch elk week-end, als de Zuster vrij-af was, stond Cor achter de kachel om het eten voor de aanwezigen warm te maken. Aan het eind van zijn bestuursperiode, in 1989, nam J. van Brakel over als overste van de Nijmeegse communiteit.

Overleden.

Hij was de laatste paar jaar sterk verouderd. In de zomer van 1987 kwam zijn broer Herman zoals gewoonlijk naar Nederland, doch nu tevens om het gouden pries-terjubileum van zijn broer voor te bereiden. Stiekem fluisterde hij een huisgenoot toe:
"Maar ik zal er dan niet bij zijn".
En inderdaad, terug in Zuid-Afrika stierf Herman op 1 okto¬ber 1987 vrij plotse¬ling aan een aneu¬risme. Dit heeft een gewel¬dige indruk gemaakt op zijn broer Cor. Vanaf die datum verou¬derde hij zeer snel. Hij werd lusteloos, raakte steeds meer ongecon¬troleerd, en moest ervaren dat hij iets niet verstaan of begrepen had. Hij werd in alles steeds meer afhankelijk van anderen.

Begin november 1991 is pater Hulsen stilletjes, en met pijn in zijn hart, vanuit Nijmegen vertrokken naar het bejaardenhuis 'de Tafel¬berg' te Oosterbeek, doch kwam nog even terug op 26 november om het 40-jarig pro¬fessiefeest te vieren van Zr. Mamerta. Tijdens het diner in restaurant St. Walrick te Over¬asselt moest hij terugge¬bracht worden naar het provincialaat, waar hij niet meer op eigen kracht de trap op kon naar boven. Sindsdien is hij snel achteruit gegaan. Hij werd opgenomen in Rijnstate Eli¬sa¬beth Gast-huis te Arnhem. Zijn spraak raakte aangetast door het dichtslibben van de aderen. Op 16 december 1991 is hij 's avonds rustig ingeslapen, in het bijzijn van provinciaal Storcken en collega Theo Brockhoff en zijn gelief¬de nicht. Hij werd 78 jaar oud.

Op 20 december 1991 vond de plechtige uitvaartdienst plaats in de kapel van het missiehuis te Cadier en Keer. Provinciaal Ton Storcken benadrukte dat Kees geen doemdenker was: hij geloof¬de!
"Kees geloofde ondubbelzinnig in Afrika en in het functi¬oneren van de S.M.A. temidden van de Afrikanen als ver¬kondiger van de blijde boodschap en als opbouwster van de lokale kerk.
Hij heeft dat voor alles gedaan door bijna 25 jaar lang hoofdverantwoordelijke te zijn voor de scholing van het eerste kerkelijke kader voor Ghana en Liberia. Hij wist zijn gaven als leider, als pedagoog en als wetenschapper ten dienste te maken voor een kerk met ambtsdragers en pastores, die er zijn mogen: niet alleen qua aantal maar ook en vooral quakwalificatie en pastorale training.
Een bekwame rector, een goed theoloog en een geliefd familie-lid: zo vervulde Kees zijn taak als missionaris en als priester."

Na de absoute werd hij begraven bij zijn collega's op het kerkhof naast het missiehuis. Boodschappen van condoleances kwamen binnen van bisschoppen en priesters uit Ghana, Liberia en Zuid-Afrika, bijna allemaal oud-leerlingen van pater Hul¬sen.

Bronnen:
- Archief nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- J.v. Brakel: The S.M.A. missionary presence in the Gold Coast (1933 - 1950), vol. IV, pag. 219.
- Duckett's Register, dec. 1966, vol. 21, nr.12, pg. 172:
C. Hulsen S.M.A.: 'Unbaptized Infants'.
- Cluster Publications (1999), edited by Joy Brain and Philippe Denis: 'The Catholic Church in Contemporary Southern Africa'.
- Onze Krant, nr. 91, maart 1992.