Imprimer

Société des Missions Africaines – Province de Hollande

MONKEL Ate né le 15 mars 1901 à Sensmeer
dans le diocèse d’Utrecht (Hollande)
membre de la SMA le 27 juillet 1925
prêtre le 16 mars 1929
décédé le 11 novembre 1961

1929-1932 Cadier en Keer, professeur de latin
1932-1937 Hastings, supérieur et professeur de dogme
1937-1946 Nieuw Herlear, supérieur
1946-1950 Oosterbeek, aide procureur
1952-1957 Rome, procureur général
1957-1961 Oosterbeek, malade

décédé à Arnhem, Hollande, le 11 novembre 1961,
à l’âge de 60 ans


Le père Ate MONKEL (1901 - 1961)

A Arnhem (Hollande), à l'hôpital Sainte-Elisabeth, le 11 novembre 1961, retour à Dieu du père Ate Monkel, à l'âge de 60 ans.

Ate Monkel naquit à Oudega, dans le diocèse d'Utrecht, en Hollande, en 1901. Il fit ses études à Keer, Chanly et au grand séminaire de Bemelen. Il fit le serment en 1925 et fut ordonné prêtre en 1929. Le père Monkel ayant un goitre, les docteurs conseillèrent de ne pas l'envoyer en mission; il fut alors destiné à l'enseignement. Le père s'était fait remarquer au séminaire par son bon esprit, son caractère sérieux, son amour du travail. Il avait de l'autorité et il savait s'imposer.

Après trois ans de professorat à Keer, le père Monkel devenait, en 1932, supérieur du grand séminaire d'Hastings, séminaire que la province de Hollande lançait en Angleterre. Le père Monkel y enseignait aussi la théologie dogmatique.

En 1937, le père Monkel revenait en Hollande comme supérieur du petit séminaire à Nieuw-Herlaer. Nommé assistant de l'économe provincial en 1946, le père Monkel prenait la charge complète en 1950.

En 1952, le nouveau conseil généralice choisit le père Monkel comme économe général. Malheureusement, très sérieusement malade, le père ne passa que quelques mois à Rome. En 1957, il se retirait définitivement à Oosterbeek.

Excellent administrateur, le père Monkel aurait pu gérer magnifiquement les finances de la Société; le Seigneur en décida autrement.


Pater Ate MONKEL (1901 - 1961)

Afkomst.

Ate Monkel, zoon van Gerben Monkel (+ 21.12.1946) en Akke Zijlstra, werd geboren te Oudega op 15 maart 1901. Hij is op dezelfde dag gedoopt in de parochiekerk van Sensmeer (Blauw¬huis).
Hij had meerdere zusters en broers. Twee neefjes, Henk van de Zee en Gerard van de Geijn, zijn verschillende jaren student geweest te Cadier en Keer.

Opleiding.

Ate doorliep de lagere school in Oudega van 1907 tot 1913. Op 2 oktober 1917 kwam hij naar Cadier en Keer voor zijn missio¬narisopleiding. Hij deed zijn philosophie te Chanly (België). Aan het eind hiervan werd hij lid van de Afrikaanse Missiën door het afleggen van de eed op 29 juni 1915. Daarna deed hij zijn theolo¬gie te Bemelen. Van daaruit werden hij en zijn klasgenoten te Roermond, in de kapel van het seminarie aldaar, priester gewijd op 16 maart 1929.

Missionaris.

Een maand na zijn priesterwijding, op 19 april 1929, ging hij naar Rotterdam naar de Keuringsraad van het Nederlands Medisch Missie Comité. De uitslag was: "definitief ongeschikt voor uitzending". Als reden werd, onder andere, vermeld: 'vergro¬ting van schildkli¬er'.

Daarom werd Ate Monkel benoemd tot leraar aan het seminarie te Cadier en Keer. Hij gaf daar latijn van 1929 tot 1932. Toen volgde zijn benoe¬ming tot professor dogmatiek in het seminarie 'Ore Place' te Hastings in Engeland. Provinciaal Paulissen schreef op 11 juli 1932 aan pater Monkel:
"Hiermede heb ik het genoegen uwe benoeming als Professor aan ons Groot Seminarie te Hastings te bevestigen en U tevens aan te kondigen dat wij ook besloten hebben U als Overste 'Rector Seminarii' aan te stellen. De Eerw. Pater Mouren blijft met het Economaat belast".
Na vermelding van de stafleden, schreef de Provinciaal:
"Pater Mouren, vice-provinciaal, presideert aan tafel".

Over deze benoeming als overste van het seminarie was blijk¬baar, in tegenstel¬ling tot die van dogmatiek-professor, van te voren niet ge¬spro¬ken. Mogelijk heeft dit te maken met de te verwac¬hten bis¬schopsbenoeming van provinciaal Paulissen, waardoor vice-provinciaal en tevens overste Mouren van hem zou moeten over¬nemen. Door de dood van de kardinaal-prefect van de Propagan¬da, kardinaal van Rossum, liet deze benoeming van Paulissen nog wat op zich wachten.

In de benoemingsbrief van pater Monkel werd hem nog op het volgende gewezen:
"Rechten en verplichtingen staan duidelijk vermeld in den Codex en in ons Directorium (no.231-272) waarvoor ik uwe aandacht verzoek en waarvan de stipte naleving, door U en door allen onder uw gezag, niet zal nalaten de door de H. Kerk en door de Sociëteit gewenschte vruchten voort te brengen".

Deze aanbeveling leek overbodig en misschien zelfs ongewenst: pater Ate Monkel was altijd stipt en nauwgezet ge¬weest! Daar¬bij kwam dat hij slechts drie jaar priester was. De jonge provincie kampte met het probleem om voor belang¬rijke functies geschikte en bekwame personen te benoemen. Sommigen zijn daardoor te jong in overheidsfuncties terecht gekomen. Pater Monkel was hardwerkend en straalde gezag uit. Doch zijn leef¬tijds-verschil en afstand tot de studenten waren te klein om hem effectief gezag te laten uitoefenen en dat heeft hij in Hastings ook moeten ervaren.

Na de provinciale vergadering van 1937 werd hij benoemd tot overste en econoom van het missiehuis te Nieuw-Herlaer in St. Michiels¬gestel. Daar waren, sinds de opening van dit huis, pasen 1926, klas 1 en 2 gevestigd; in Keer: 3 t/m 6. Deze toestand werd m.i.v. het schooljaar 1932 - '33 als volgt gewijzigd: limburgse nieuwelingen gingen direct naar Cadier en Keer, om daar alle 6 klassen te doorlopen, terwijl in Herlaer vanaf dat jaar, tot de sluiting van dit huis, schooljaar 1954 - '55, klas 1, 2 en 3 werden gedaan, om daarna samen te komen in Keer, vanaf klas 4. Heimwee van de studentjes en bezwaar van de limburgse ouders hun kinderen zover van huis te hebben, waren enkele van de redenen voor deze verandering.

Negen jaar lang is pater Monkel daar overste geweest. De meidagen van 1940 waren spannend. Sommige ouders kwamen reeds hun kinderen halen. Het college heeft toen even stil gelegen. Vooral tijdens de oorlog heeft pater Monkel zich zeer verdien¬stelijk gemaakt om de jongens, allemaal in de groei van het leven, aan het eten te houden. Door middel van contacten met de boeren in de buurt, doch ook met ouders en familie van de studenten uit agrarische gebieden, met name uit de gelderse achterhoek, zorgde hij voor belangrijke aanvulling op de rantsoenering door toewijzing per bonkaarten. Daarbij kwam onder de oorlog de psychi¬sche druk van verantwoordelijk¬heid voor de studenten met dreiging van oorlogsgeweld, bezet¬ting, intimida¬tie en gijzeling door de bezetter. Zelf is hij door de Duitsers verhoord over mogelijke 'vijandige activitei¬ten', terwijl staflid pater Wim de Jong, als gijzelaar werd vastge¬houden op 'de Ruwenberg' te St. Michiels¬gestel.

Na de provinciale vergadering van 1946 werd hij benoemd voor Cadier en Keer als assistent van de provinciaal procurator pater Janssen. In mei 1950 heeft hij onder moeilijke omstan¬digheden moeten overnemen van pater Janssen, om zich daarna in huize Tafelberg te Oosterbeek te vestigen. Hij kreeg tevens de opdracht om een overzichtelijk financieel systeem op te zet¬ten. Pater A. Roelofs werd benoemd tot zijn assistent.

In augustus 1952 werd pater Monkel benoemd tot algemeen eco¬noom van de Sociëteit in Rome, doch hij kreeg de tijd om eerst zijn opvolger te Oosterbeek in te werken. Helaas openbaarden zich toen reeds de eerste ziekteverschijnselen. Het werd een lange en zeer moeilijke lijdensweg. Hij verbleef bij zijn oude moeder in Blauwhuis, werd toen opgenomen in het ziekenhuis te Sneek en heeft twee keer een hersenoperatie ondergaan te Utrecht. Pater Dr. Coen Evers, zelf medicus en revaliderend van een ernstig ongeval, heeft in die tijd de zieke pater bijgestaan. Hij schreef in september 1953:
"Helaas is het met pater Monkel nog een moeilijke en onon¬twarbare geschiedenis. Het staat wel vast, dat we bij hem te doen hebben met een cerebraal proces, gezien vooral ook de onmiskenbare en weinig hoopgevende psychi¬sche uitva¬lverschi¬jns-elen, doch omtrent de aard en de oorzaak daarvan tasten we nog in het duister, temeer omdat de anatomische veranderingen ten gevolge van die twee zeer ingrijpende operaties in Utrecht het gehele ziektebeeld zo gecompliceerd maken".

Geleidelijk knapte pater Monkel wel weer wat op, doch hij was de oude pater Monkel niet meer. De chirurgische ingr¬eep scheen een karakterverandering teweeggebracht te hebben. De eens zo serieuze en gedisciplineerde pater Monkel leek nu totaal veranderd, ongeremd en dat soms op het gênante af.

In januari 1956 schreef hij naar Rome dat hij voldoende gene¬zen was om zijn werk als algemeen econoom te kunnen beginnen. In plaats van een duidelijke stellingname, schreef men diplo¬matiek terug, dat men hem niet voor het begin van het school¬jaar in september in Rome verwachtte. Dus ging pater Monkel in september 1956 naar Rome! In maart 1957 stuurde de algemeen overste hem terug naar Nederland en informeerde hierover de provinc¬iaal overste:
"At times he seems to lose memory, gets quite conf¬used .. I'm afraid he has to be considered an invalid".
In een brief van 8 november 1957 werd pater Monkel in kennis gesteld van het besluit van de algemene raad om hem wegens ge¬zond¬heid te ontheffen van zijn functie in Rome, zodat hij weer ter beschi¬kkin¬g kwam van de provincie.

Gestorven.

Intussen verbleef hij te Oosterbeek omdat zijn oude moeder hem niet langer kon verzorgen. Meerdere keren werd hij weer opge¬nomen voor mogelijke medische behandelingen. Op 7 november 1961 werd hij opnieuw opgenomen in het St. Elisabeth zieken¬huis te Arnhem. Omdat zijn toestand snel ver¬slechterde, werd hem op 9 november de ziekenzalving toege¬diend. Op 11 november 1961 is hij 's-morgens om 8.30 uur zacht en kalm gestorven, slechts 60 jaar oud.

De uitvaartdienst werd gehouden in de kapel van het missiehuis te Cadier en Keer. Pater Ben Gootzen, overste van huize Tafel¬berg te Oosterbeek ging voor, hierbij geassisteerd door de twee klasgenoten Louis Moonen en Huub Lehaen. Ook de twee andere klasgenoten, Piet Fischer en Frans Vermulst waren aanwe¬zig, evenals zijn twee zusters en zijn twee broers en enkele andere familieleden. Zijn stokoude moeder kon helaas niet komen. Men had pater Monkel op het nieuwe kerkhof in aanleg te Cadier en Keer willen begraven, doch het was daar zo'n modder¬toestand, dat men besloot hem bij te zetten in de graf¬kelder onder de kapel bij de grot. Met moeite is hij daar, als laat¬ste, bijgezet op de bovenste rij.

Bronnen:
- Archief Nederl. Provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- N. Douau: Biographies Missions Africaines 11.11.1961.
- J. v.d. Kooij in 'Afrika Ontwaakt' 1962, pg. 7.
- J. ter Linden in 'Onze Krant'