Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

RUBIE Hendrick Frère Nicolas
né le 6 décembre 1893 à Horst
dans le diocèse de Roermond, Hollande
membre de la SMA le 6 janvier 1925
décédé le 18 mars 1982

1925-1930 missionnaire au Togo, école professionnelle
1930-1982 Cadier en Keer, charpentier, menuisier
1982 Heerlen

décédé à Cadier en Keer, Hollande, le 18 mars 1982,
à l'âge de 88 ans

Broeder Nicolaas RUBIE (1893 - 1982)

Afkomst.

Hendricus Cornelius Rubie, zoon van Johannes Wilhelmus Maria Rubie en Johanna Petronella Berbers, werd geboren te Horst op 6 december 1893.

Opleiding.

Zowel over zijn afkomst als over zijn opleiding zijn nauwe¬lijks verdere gegevens in ons archief te vinden. Hij was reeds achter in de twintig, toen hij zich, op 14 augustus 1922, meldde bij het broederhuis van de S.M.A. te Blitterswijck. Op 6 januari 1923 begon hij zijn noviciaat. Het was toentertijd gebruikelijk dat broeders een kloosternaam, ver¬schillend van hun familie- of doopnaam, aannamen. Hendrik Rubie hoefde niet lang na te denken. Hij nam de populaire heilige van zijn geboorte¬dag. Als broe¬der Nicolaas werd hij twee jaar later, samen met vier anderen, door provinciaal Pau¬lis¬sen aangenomen als lid van de Socië-teit.

Missionaris.

Broeder Nicolaas Rubie moest voorlopig in Blitterswijck blij¬ven. Doch reeds in het najaar van 1925 kon hij naar de missie vertrekken. Hij was bestemd voor de ambachtsschool ('Ecôle pro¬fessionel¬le') van Lomé in Togo. Meerdere nederlandse broe¬ders waren daar werk¬zaam.

Op 16 oktober 1925 vertrok hij uit Marseille aan boord van de s.s. 'Kouroussa' van de 'Compagnie Fabre'. Aan boord waren ook de nieuwbenoemde bisschop voor Cape Coast, Mgr. Ernest Hau¬ger, en verschillende andere missionarissen. Het duurde 35 dagen voordat deze boot Cape Coast bereikte. Hierna duurde het nog een dag voordat broeder Nicolaas Rubie op 21 november 1925 in Lomé aan land kon gaan.

Deze ambachtsschool in Lomé was door de duitse S.V.D.-missio¬na¬rissen opgezet en had een goede naam. Vijf jaar heeft broe¬der Nicolaas daar gewerkt. Bij hem zoals bij zoveel broeders, was taalvaardigheid een probleem. Hij kende nauwelijks neder¬lands toen hij het broederhuis te Blitterswijck binnentrad en had dit jarenlang niet meer gesproken. Tijdens zijn tweejarig noviciaat is wel getracht hem enig nederlands en frans bij te brengen, doch om het redelijk te kunnen spreken was hiervoor de tijd te kort en de aanpak te amateuristisch. Vakkennis had hij wel. Hij was een goede schrijnwerker: timmerman en meubel¬maker, terwijl hij zich met smidswerk ook behoorlijk kon redden. In 1927 heeft hij te Lomé, ten overstaan van pater E. Riebstein, zijn eed van trouw aan de Sociëteit voor vier jaar hernieuwd. In juni 1930 kwam hij terug uit Afrika op vakantie. Hij werd benoemd voor het missiehuis te Cadier en Keer.


Op 6 januari 1931 liep zijn eed af. Op 10 januari 1931 schreef algemeen overste Chabert vanuit Lyon aan provinciaal Paulis¬sen:
"J'ai communiqué aux Conseillers, la demande que vous faîtes dans votre lettre du 5-1-31 en faveur du Frère Nicolas Rubie. Vu les excellents renseignements que vous nous donnez sur lui, nous l'admittons volontiers au serment à perpétuité. Il fera donc sa retraite de dix jours et prononcera son serment avec les autres puisqu'il n'a pu le faire à l'échéance exacte."
Te Blitterswijck heeft hij ten overstaan van provinciaal Paulissen de eeuwige eed afgelegd op 2 februari 1931.

Broeder Klaas, zoals hij in het missiehuis algemeen werd genoemd, heeft ook geleden onder het superieure neerzien door menig pries¬terlid op zijn medebroeder, die 'slechts' broeder was. Dit geschiedde zowel in de missie als in Keer, en zelfs door personen 'in autoriteit'. Het scheen dat broeder Klaas, misschien toch al wat ongepolijst in zijn omgangsvormen, hierin nog meer geharnast werd en zich met een onverschillig uiterlijk een steeds grotere mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid toeeigende. Na zijn overlijden werd op het bidprentje vermeld:
"Zoals het hout, zo was ook hij: hard en onbuigzaam; maar in die harde buitenlaag woonde een verlegen en gevoelig mens, een plichtsgetrouw en godsdienstig man."

De timmerwinkel naast de boerderij was zijn heiligdom, waar deze factotum van het huis allerlei werkzaamheden en klussen op het technische vlak met bekwaamheid verrichtte. Studenten en paters moesten dan ook niet komen om even wat 'te lenen'. Ook de brandverzekering maakte zich wel eens zorgen om deze locatie.

Broeder Klaas was veelzijdig. Als meubelmaker heeft hij voor het missiehuis en de school heel wat kasten, tafels, bureaus en banken gemaakt. Hij deed veel meer, in opdracht of uit eigen vrije keuze: hij verrichtte de nodige herstelwerkzaamhe¬den en maakte de doodskisten. Hij was een noeste werker en een actief buitenmens. In park en bos rondom het missiehuis ver¬wijderde hij het dode (en naar men fluisterde het soms nog niet zo heel dode) hout en maakte dit te gelde, evenals oud ijzer, lood en oud papier. Hij was hierin zo ijverig, dat het wel eens onvei¬lig kon zijn krant of boek op trap of venster¬bank te laten liggen. Met de jaren groeiden ook de verhalen. Het konijn, dat bij een begrafenis van een confrater uit het gegraven graf spro¬ng, zou te horen gekregen hebben: 'Jouw krijg ik nog wel!'.

Klaas heeft in de loop der jaren een kapitaal voor de Societeit verdiend. Veel van zijn werk zag hij in vlammen opgaan in die bewuste nacht van de 15de maart, 1954. Weer wachtte hem een nieuwe uitdaging en er was veel te doen: meteen begon hij te werken om kerkbanken te maken voor de nieuwe kapel.


Gestorven.

Tot op hoge leeftijd is hij blijven werken. In 1980 moest hij het opgeven. Zijn lichaam wilde niet meer. Dit maakte hem ongelukkig, want zijn werk was zijn leven. Hij kreeg nog een paar zware jaren te verduren, fysiek en psychisch, nu hij niet meer in staat was te werken.

Op 13 augustus 1980 werd broeder Klaas met buikklachten opge¬nomen in het ziekenhuis te Maastricht, waar hij drie weken heeft doorgebracht en geopereerd is vanwege een perforatie van de dunne darm.

In 1981 werd een aneurysma van de buikaorta vast¬gesteld met een diameter van ca. 5 cm. De chirurg, prof. Dr. G. Kootstra rapporteerde:
"Het lijkt me niet zo goed om een patiënt op deze leef¬tijd op onze polikliniek te controleren voor iets dat toch geen therapeutische consequenties heeft. Mocht het aneurysma ruptureren dan betekent dit de dood van de patiënt. Een operatieve ingreep op deze leeftijd is zinloos.
Om deze reden stel ik dan ook voor dat de m.i. zinloze polikliniekbezoeken nu worden beëindigd. Patiënt en zijn begeleider waren erg verheugd met dit voorstel".

Broeder Nicolaas bleef wel vechten voor zijn leven, maar ten¬slotte ging het niet meer. Op 18 maart 1982 werd hij opgenomen in de verplee¬gafdeling van de Broe¬ders van St. Joseph te Heerlen. Zijn ziekbed was kort, zijn sterven snel. Reeds dezelfde avond stierf hij, 88 jaar oud. Op dinsdag 23 maart werd in de kapel van het missie¬huis een plechtige uit¬vaart¬dienst voor hem gehouden. In de homilie zei pater Jan van Frankenhuijsen, die voorging in deze dienst, ter herdenking:
"Het leven van broeder Nicolaas ligt in het missiehuis te Cadier en Keer, waar hij meer dan 50 jaar heeft geleefd en gewerkt. Het is deze mens, die we hebben leren kennen, met zijn eigenaardigheden, een mens die vaak zijn eigen weg ging, maar die helemaal zichzelf was in het werk dat hij verrichtte. Het was deze mens, die we jarenlang zijn dagelijkse gang zagen maken naar de timmerwinkel, waar hij van weinig materiaal veel moest maken voor het huis.

Wie broeder Nicolaas voor zich ziet, ziet een sterke man, soms nogal op zichzelf, hard en onbuigzaam als het hout, waarmee hij omging. En toch was die harde buitenkant inderdaad maar een buitenkant, want innerlijk was hij een verlegen en gevoelig mens, die zijn verlegenheid verborg achter een ruw uiterlijk. Alleen een enkele vriend mocht even dieper kijken.
Zijn godsdienstigheid sprak uit zijn trouwe bezoek aan de kapel, zijn devotie tot Maria uit zijn wekelijkse gang naar de grot om een kaarsje op te steken en zijn plichts¬getrouwheid uit het werk dat hij verricht¬te."


Hierna werd hij te ruste gedragen naar de nabijgelegen be¬graaf¬plaats, waarheen hijzelf zoveel medebroeders vergezeld had. De tijden veranderen. Hij, die zoveel doodskisten voor collega's gemaakt had, moest zelf in kist no. X? uit de cata¬logus van de fabriek begraven worden.

Bronnen:
- Archief Nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- Drs. W. Ruikes: 'Uit edel hout gesneden' in Afrika Ont¬waakt, dec. 1960.
- In memoriam in 'Onze Krant' nr. 52, juni 1982.