Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

VAES Jan né le 18 décembre 1903 à Roggel
dans le diocèse de Roermond, Hollande
membre de la SMA le 27 juillet 1930
prêtre le 23 décembre 1933
décédé le 22 avril 1974

1934-1945 missionnaire en Gold Coast
Cape Coast, Tarkwa, Prestea, Amisano
1945-1948 Hollande, soins pour maladie
1948-1958 Aalbeek, supérieur
1958-1963 Cadier en Keer, supérieur
qui le poste pour raisons de santé
1963-1974 Roermond, retiré chez des amis

décédé à Roermond, Hollande, le 22 avril 1974,
à l'âge de 70 ans


Pater Jan VAES (1903 - 1974)

Afkomst.

Joannes Hubertus Vaes, zoon van Joseph Vaes en Dorothea van den Manakker, werd geboren te Roggel op 18 december 1903. Een zoon van zijn broer werd, in 1954, eveneens priester in de¬zelfde Soci¬teit.

Opleiding.

Na de lagere school in zijn geboorteplaats, ging Jan op wat oudere leeftijd naar Cadier en Keer waar hij, van 1922 tot 1928, zijn gymnasiale studies maakte. Daarna ging hij naar Chanly in België, waar hij van 1928 tot 1930 zijn noviciaat deed en philosophie studeerde. Deze periode werd afgeslo¬ten met de eedafleg¬ging en opname in de S.M.A. op 27 juli 1930. Na de zomervakan¬tie begon hij de studie van de theologie te Hastings in Enge¬land en werd daar tijdens het vierde jaar priester gewijd op 23 december 1933 door Mgr. P. Amigo.

Missionaris.

Hierna volgde zijn benoeming voor de missie van de Goudkust, en meer specifiek voor het vicariaat van Cape Coast, waar recent een engelse bisschop, Mgr. W. Th. Porter, benoemd was.
Op 2 oktober 1934 vertrok pater Vaes met de boot naar Afrika. Na aankomst werd hij benoemd voor de missie van Cape Coast. Na eerst enkele maanden taalstudie, werd hij belast met de bui¬tenstaties van de Cape Coast missie in de Abura, Asebu en Denkyera districten.

De elzasser pater Henry Schoen was de toenmalige overste van de Cape Coast missie, later opgevolgd door Piet Derickx. Op de missieheuvel stond naast de kathedrale kerk het missiehuis (of pastorie) en daarnaast, tot aan de vijftiger jaren, het bis¬schopshuis. In het missiehuis zaten aan tafel: de bisschop en de pastoor/ overste met zijn assistenten of kapelaans, doch ook de econoom van het bisdom, de mensen verbonden aan de drukkerij en de pers ('manager and editor'). Het was door¬gaans een grote gemêleer¬de communiteit en dat is jarenlang zo geble¬ven. Zelfs na het vertrek van de bisschop naar het nieuwe bisschopshuis (rond 1950), bleef de missieheuvel druk bezet met curialeden ('Vicar-general, general manager of schools, bursar, editor, manager C.M.P.). Na terugkeer van zijn trek naar de buitenstaties, ontmoette ook Jan Vaes deze commu¬ni¬teit, dikwijls internationaal in samenstelling.

De provinciale vergaderingen van 1937 in Nederland en de Elzas veroorzaakten nogal wat noodzakelijke benoemingen en verplaat¬singen. Steeds meer elzasser paters werden uit de Goudkustmis¬sie, nu toevertrouwd aan de nederlandse provincie, terugge¬trokken. Pater Strebler, de vicaris van Cape Coast, werd bovendien door Rome benoemd tot Apostolisch Prefect in Togo.

Het gevolg van deze benoemingen en veranderingen was dat, in december 1937, Jan Vaes benoemd werd tot pastoor van de kathe¬drale parochie te Cape Coast. Hoewel slechts vier jaar pries¬ter, was hij in leeftijd wat ouder dan zijn klasgenoten. Bovendien zat hij, als hij niet op trek was naar de buitensta¬ties, dagelijks bij Mgr. Porter aan tafel, zodat deze wist wat hij in huis haalde. Voorkomen, omgangsvormen, taalge¬bruik en uitspraak, contacten en relaties met overheidsinstan¬ties en parochianen waren zaken, waar¬aan deze bisschop veel belang hechtte.

Jan Vaes was, wat de engelsen noemden, een goede 'mixer' in internationale gezelschappen: hij kon met mensen van allerlei soort en komaf omgaan.
Pater Francis Menyah, de eerste inlandse priester van het vicariaat, die 2 jaar tevoren gewijd was, werd benoemd om hem op te volgen als assistent van de parochie voor de buitensta¬ties.

In 1939 ging Jan op vakantie en keerde, vanwege de uitgebroken oorlog, via Portugal terug naar Afrika. Na een lange trein¬reis, vertrok hij op 17 april 1940 per boot vanuit Lissabon. Na aankomst in de Goudkust werd hij benoemd voor Tarkwa, van waaruit hij het mijnstadje Prestea opende als hoofdstatie met een residerende priester daar. Het grootste gedeelte van de oorlogstijd is pater Vaes pastoor geweest van Prestea. Daar richtte hij ook een 'brass-band' op. De instru¬menten hiervoor had hij tijdens zijn vakantie in Nederland bijeen weten te krijgen en meegebracht naar de Goudkust.

In 1944 werd pater Vaes overge¬plaatst naar het seminarie te Amisano om daar dogmatiek te doceren ter vervanging van Cor Hulsen, die op vakantie ging naar Zuid Afrika. Intussen begon hij te sukke¬len met zijn gezondheid. Dit werd zo erg dat hij onmiddellijk na de oorlog in juni 1945, zodra dit mogelijk was, met een militair toestel naar Engeland gevlogen werd. Het bleek dat de ingewanden zwaar aangetast waren. Na behandeling in Engeland is hij later overgekomen naar Nederland voor verdere behandeling in het Laurentiusziekenhuis te Roermond. In januari 1947 werd hij eindelijk ontslagen:
"De directeur zei, dat ik mocht gaan, mits ik het lang¬zaamaan doe, - dieet houden - nog steeds puree, rijst, vlees, - en niet roken en drinken.
Zodra de vogeltjes zingen, hoop ik weer de ouwe te zijn".
Hij kreeg onderdak bij de dames Hendrickx aan de markt te Roermond en verleende wat assistentie aan de kweekschool. Na de zomer kwam daar, op verzoek van Mgr. Feron, wat godsdienst¬les aan de landbouwschool bij.

Begin 1948 ontving hij een brief van de provinciaal met de vraag wat, na pasen, zijn plannen waren voor de toekomst. Eind april ontving hij opnieuw een brief waarin hem werd meegedeeld dat de provinciale raad hem benoemd had tot overste van het seminarie te Aalbeek met ingang van het nieuwe school¬jaar in september. Daar schrok hij van: pater Vaes wilde wel naar één van de huizen komen ("missie is voorlopig voor mij te zwaar"), maar dan 'als gewoon soldaat'. Na een mondeling onderhoud met de provinciaal, vroeg hij daarna nog tweemaal schriftelijk aan hem deze benoeming in te trek¬ken. Hij kreeg tenslotte antwoord van zijn klasgenoot provinciaal Mondé, dat hij deze teleur¬stelling wel enigszins verwacht had:
"Ik ben er daarom niet uit het lood geslagen. Ik begrijp volkomen dat je niet met enthousiasme die taak aan¬vaardt".
Zonder te willen preken, schreef hij verder, meende hij dat pater Vaes voor deze taak geschikt was. Daarom had hij zijn brief maar niet aan zijn raad voorgelegd, doch de communi¬teit van Aalbeek ingelicht dat overste Gootzen benoemd was tot regio¬naal overste in de Goudkust en dat hij opgevolgd zou worden door Jan Vaes. Hij voegde eraan toe:
"Je benoeming tot overste van Aalbeek heeft veel bijval gevonden".

Tien jaar lang is pater Jan Vaes, op geheel eigen wijze, overste van Aalbeek geweest. De 'sup', zoals hij gewoonlijk door de studenten werd aangeduid, bemoeide zich niet met allerlei details en liet veel dingen graag aan de staf over, te veel misschien naar hun oordeel. Heel regelmatig verzorgde hij de geestelijke lezing voor de studenten. Dikwijls begon hij met het boekje 'Broze vaten' van Leon Trèse of een ander boekje, doch zat al gauw in eigen bewoor¬dingen te verhalen van zijn missie-ervaringen. Hij was een begaafd causeur die ge¬woonlijk alles in zwart-wit schilderde en zijn stellingen eveneens in zwart-wit poneerde. De ene dag deugde er niets van de afrikaan: hij was lui, lastig en kon je négeren; de volgen¬de dag was hij 'a sunny boy', een vrolijk, dankbaar, gastvrij en lachende mens en je kon geen beter iemand treffen. Zo ging dat jaar in, jaar uit. Het eindre¬sultaat was wel: belangstel¬ling voor het missiewerk en de afrikaanse mens en een genuan¬ceerd beeld hierover. Ook missionarissen op vakantie werden door hem uitgenodigd om te studenten toe te spreken.

Tijdens de provinciale vergadering van 1952 werd hij gekozen tot provinciaal raadslid en in 1958 als zodanig herkozen.
Van Aalbeek werd hij overgeplaatst en benoemd als overste van het 'herrezen' missiehuis te Cadier en Keer met ingang van het schooljaar in september 1958. Op 23 april 1963 is hij op eigen verzoek wegens gezondheid van deze functie ontslagen.

Gestorven.

Hij is terugge¬gaan naar Roermond, waar hij weer liefderijk door de dames Hen¬drickx werd ontvangen. Tien jaar lang nog heeft hij geleefd. De eerste jaren kon hij nog wat assisten-ties verlenen, doch zijn mogelijkheden werden steeds beperkter tot hij, ten slot¬te, volledig verzorgingsbehoeftig en bedlege¬rig werd. Hij heeft een zwaar ziekbed gehad en stierf op 22 april 1974, vier maanden na zijn 40-jarig priesterjubileum (dat hij slechts binnenskamers met zijn huisgenoten kon geden¬ken). Hij werd 70 jaar oud.


In de Munsterkerk te Roermond werd op donderdag 25 april 1974 een plechtige Requiem Mis voor zijn zielerust opgedragen in het bijzijn van familie, collega's, vrienden en bekenden. Daarna werd het lichaam overgebracht naar Cadier en Keer en begraven, naast die van zijn colle¬ga's, op het kerkhof van het missiehuis.

Bronnen.
- Archief Nederl. Provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- J. ter Linden in 'Onze Krant', juni 1974.