Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

 ramakers  Le Père Frans RAMAKERS
né le 5 octobre 1910 à Echt
dans le diocèse de Roermond, Hollande
membre de la SMA le 30 juillet 1932
prêtre le 21 décembre 1935
décédé le 15 décembre 1995
 

1936-1967 missionnaire en Gold Coast
Saltpond, Winneba, Amisano
Sekondi, Asankrangwa, Enchi, Shama
Asikuma, Assin-Foso, Prestea
1968-1970 Villeneuve (France), prêtre assistant
1970-1984 Lougratte (France), curé
1984-1995 Cadier en Keer, retiré

décédé à Cadier en Keer, Hollande, le 15 décembre 1995,
à l'âge de 85 ans

Pater Frans RAMAKERS (1910 - 1995)

Afkomst.

Franciscus Josephus Ramakers, zoon van Christianus Hubertus Ramakers en Cornelia Carolina Smeets, werd geboren te Echt op 5 oktober 1910. Zijn vader was werkzaam bij de posterijen.
Frans groeide op in een groot gezin. Zijn drie jaar oudere broer Joseph ging hem vóór naar het missiehuis te Cadier en Keer, doch moest in Hastings, gedurende zijn eerste jaar theologie in 1930 afhaken. Tijdens de evacuatie in de oorlogs¬tijd is in het nood-ziekenhuis te Echt de moeder van Frans overleden.

Opleiding.

Na de lagere school ging Frans zijn oudere broer achterna naar het missie-college te Cadier en Keer. In 1930 ging hij naar Chanly in België voor de philosophie. Op 30 juli 1932 werd hij, door eedaflegging, lid van de Sociëteit en begon daarna zijn studies van de theologie in het seminarie 'Ore Place' te Hastings in Engeland. Op 21 december 1935 werd hij daar in de kapel van het seminarie tot priester gewijd door Mgr. Peter Amigo, bisschop van Southwark.

Missionaris.

Na zijn studie vertrok pater Frans Ramakers op 30 oktober 1936 naar de Goud¬kust. Hij werd benoemd voor de missie van Salt¬pond, om daar de taal te leren en ingewerkt te worden. De Elzasser pater An¬toine Acker, al meer dan 25 jaar missionaris in de Goudkust, werd zijn overste. Pater Fabri was enkele maanden tevoren gestorven en Peet Meeuwenoord, die hem opvolg¬de, was nu bezig Winneba te openen als hoofdsta¬tie. Bij hem assisteerde Frans gedurende de maand april 1937 met de Goede Week en Paasplechtigheden. Daarna kreeg hij zijn eerste echte benoeming: leraar aan het seminarie te Amisano. Van mei 1937 tot december 1938 is hij daar geweest. Doordat een vijftal personen van wijding december 1937, benoemd voor het semina¬rie, toen aangekomen waren, kwam hij vrij en werd benoemd voor de buitenstaties van Sekondi. Jan ter Linden was daar zijn overste. Vanaf 1940 tot december 1946 was hij weer in Salt-pond, eerst als buitenstatiepater onder de oversten Piet Dierckx en Jan de Rooij, totdat hij in 1945 zelf overste werd van Saltpond. Ruim tien jaar had hij ononderbroken in de Goudkust gewerkt, toen hij in december 1946 op vakantie naar Nederland ging. Hij zou zijn moeder niet meer terugzien.

Frans was een klein, levendig type, serieus kijkend, doch altijd vol grappen en grollen. Tijdens zijn vakantie luister¬den de studenten met open mond naar zijn 'sterke' verhalen over de missie (bv. een missionaris die zijn arm met gebalde vuist in de bek van een aanstormende tijger stootte en zover doorstootte, dat hij de staart kon pakken en zó de tijger binnenste buiten keerde!). In Aalbeek bezocht hij zijn klasge¬noot die een hebreeuws bijbel op een standaard in zijn kamer had. Bij een tweede bezoek na een paar maanden merkte Frans in bestraffende bewoordingen op, dat de professor toch niet veel las in deze heilige schrift!
Na terugkeer van vakantie in september 1947 werd pater Rama¬kers benoemd om de missiestatie van Asankrangwa opnieuw te openen. Wegens personeelstekort onder de oorlog was deze missie als hoofdstatie in 1944 gesloten. Asankrangwa-district was, in die jaren, een uitgebreid 'rural area', een agrarisch gebied in de bossen ('in the bush'). Aan het ene eind van het district, richting Tarkwa, lag het plaatsje Bogoso met 'sur¬face mining', aan de andere kant, richting Ivoorkust, lagen de houtzagerijen van de UAC ('Unilever') te Sambreboi.
Tijdens zijn pastoraat kwam er een katholiek ziekenhuis met dokter en zusters (van St. Louis) te Asankrangwa en een kweek¬school ('A post B') te Bogoso op de gesloten mijncampus.

Hier zij nog vermeld, dat de missie deze gebouwen onder druk van de regering heeft aangenomen. De 'Eastern Region' had reeds een jongenskweekschool te Apowa en de planning van de missie was een andere in de 'Central Region' in daarvoor verkre¬gen land nabij Saltpond, doch de regering insisteerde op Bogoso vanwege de vrijgekomen beschikbare gebouwem. Op het reeds verkregen land te Saltpond hebben zich later de Francis¬kanen gevestigd.

Na terugkeer van vakantie in 1958 werd pater Ramakers benoemd om het westelijk deel van het missiegebied van Asankrangwa, dat niet door de Wassaw-, doch voorname¬lijk door de Aowin-mensen be¬woond werd, officieel te openen. Reeds een paar jaar eerder had zich, tegen de planning van het bisdom in, een pater in dat gebied, gevestigd. Deze was intussen vertrokken. Nu kreeg Frans officieel de opdracht om Enchi als hoofdstatie, met een residerend priester, te openen. Twee jaar is hij daar pastoor geweest. In december 1960 ging hij voor een half jaar, als vervanger, naar Shama en werd daarna benoemd tot pastoor te Asikuma, een één-mans-statie met enkele buitenstaties. Ook was er een ziekenhuisje met dokter, en een zusterklooster met enkele zusters.

Zusters in een één-persoons missiepost had zijn vóór- en nadelen. Dit was gewoonlijk in het binnenland, in achtergeble¬ven gebi¬eden. Zij waren in die jaren dikwijls de enige europe¬anen, waar je dan regelmatig contact mee had. Ook waren ze dikwijls behulpzaam in kerk en sacristie en soms ook profi¬teerde je van hun aanwezigheid op diverse manieren, van feest¬taarten tot herstel van kleding of medicijnen bij ziekte. Nadeel was, dat er gewoonlijk in hun contracten afspraken stonden over een bepaald aan H. Missen per week, wat je belem¬merde in je bewe¬gingsvrijheid en bezoek aan de buitenstaties.

Na zijn vakantie in 1963 werd Frans eerst waarnemend in Assin Foso, waar hij twee assistenten had. In november 1964 werd hij benoemd tot pastoor te Prestea, een mijnstadje in het heuvel¬land. Dit was wel een éénmanspost, doch had het voordeel van de voorzieningen voor het mijnpersoneel: van club, met restau¬rant en recreatiemogelijkheden, tot technische werkplaats en (europese) mijnwinkel. In 1966 werd Frans ziek en heeft hij meer dan acht weken te Prestea in het ziekenhuis gelegen. De overheden wilden dat hij, na ontslag uit het ziekenhuis, naar europa zou gaan voor verder herstel. Doch Frans voelde daar niets voor. Hij ging een maand rusten te Winneba en kwam daarna terug in Prestea.
In september 1967 ging hij op vakantie. In het voorjaar van 1968 kreeg hij van de Memisa-keuring in Rotterdam te horen, dat hij wel terug kon naar Ghana, doch op bepaalde voorwaarden vanwege de trombose in zijn benen en de voorgeschreven anti-
s¬tollingsmiddelen. Heruitzending naar Afrika was alleen moge¬lijk, wanneer daar het bloed op de stollingsgraad zou kunnen worden onderzocht. Frans schreef hierover naar de bissch¬op, doch toen hij niet snel antwoord kreeg, hakte hij de knoop door en besloot niet terug te gaan.

Hij ging zijn toekomst zoeken in Frankrijk in het bisdom van Agen (Lot-et-Garonne). Daar benoemde de bisschop hem voor Villeneuve als 'prêtre auxiliaire' van de St. Catherine, met pastoor en kapelaan.

In juli 1970 werd hij pastoor te Lougratte. In deze platte¬landsparochie is hij veertien jaar lang pastoor geweest. Hij leefde sober, zoals hij heel zijn leven gedaan had en was met een minimum aan comfort tevreden. Hij was heel regelmatig en getrouw in het geven van catechismus in school, zoals hij ook in Afrika steeds bezig was met het geven van onderricht. Daar gebruikte hij het gezamenlijk avondgebed in de kerk om daarna aan de hand van heiligenlevens de mensen religieuze waarden bij te brengen. Daar was hij ook, evenals hier in Frankrijk, veel op stap om parochianen te bezoeken of om mensen te ont-moeten.

Hoewel hij zelf zeer sober leefde, was hij heel gastvrij:
"Confraters zijn natuurlijk altijd welkom. Ik heb 3 kamers, 2 bedden en 1 kampbed beschikbaar. We hebben in huis 1 WC en douche, en één wasgelegenheid. Middagmaal¬tijd neem ik in het hotel in het dorp, 's-morgens en 's-avonds hier in huis. Ik heb geen hulp in huis, dus event¬uele bezoekers moeten bereid zijn zelf hun kamer in orde te houden, bed maken etc. Een wasmachine is beschikbaar, want ik doe zelf mijn was".
Er kwamen nogal eens bezoekers want Lougratte lag op de weg naar Lourdes, 130 km verderop naar het zuiden. Ook meerdere confraters zijn er op bezoek geweest en genoten van zijn gastvrijheid en humor. Louis Moonen was een regelmatige bezoe¬ker. soms met vrienden. Deze maakten eens een compliment over de lekkere koffie en kregen van Frans als uitleg: "Kof¬fie-hag! Zelf ver¬bouwd in de tuin!". En over het mooie kruis bij de kerk wist hij te vertellen: "Zeer oud: van 700 jaar vóór Christus!".

In september 1984 kwam hij naar Cadier en Keer om te rusten. Doch deze opgewekte en levenslustige man was, zoals altijd, gedurig in beweging. Frans was een groot bewonderaar van de natuur! in Afrika liep hij veel rond met zijn camera en heeft prachtige kiekjes gemaakt, vooral in Asankrangwa, toen hij met zijn klasgenoot Stoffels uit Tarkwa, eveneens een goede foto¬graaf, dikwijls samen optrok. In Frankrijk heeft hij de wijn¬gaarden goed bekeken en wist uit dit hout met dikwijls de meest verrassende vormen, allerlei interessants te maken, zoals bv. meerarmige kandelaars. Rustend in het missiehuis te Cadier en Keer was hij regelmatig met kruiwagen, schop, hark of zaag in tuin en park te vinden.

Gestorven.

In 1995 begon zijn gezondheid achteruit te gaan. Dit werd een moeilijke periode voor deze levenskunstenaar, want hij wist, dat hij een ongelijke strijd te voeren had en de verliezer zou zijn. Op 9 december 1995 ontving hij de ziekenzalving. Na een zware doodstrijd stierf hij gedurende de nacht op 15 december 1995, een week voor zijn diamanten priesterjubileum.

De plechtige uitvaartdienst vond plaats op 19 december 1995 in de kapel van het missiehuis te Cadier en Keer. Arjen Rijpkema ging voor in de concelebratie en ontstak de paaskaars als symbool van de Verrijzenis, als symbool ook van het Licht, waarin Frans nu deelde. In zijn inleiding sprak de celebrant over 'ons respect en liefde voor pater Frans Ramakers'. Hij zei:
"We zullen hem missen met zijn sterke verhalen, met zijn humor, met zijn plezier als hij er iemand tussengenomen had. We zullen hem missen, omdat Frans er zo duidelijk bij wilde zijn, bij onze gemeenschap, bij het lief en leed van de familie. Want Frans was even serieus als humoristisch!".
Overste Wim van Frankenhuijsen leidde de absoute en ging vóór naar het kerkhof bij het missiehuis waar hij werd begraven bij zijn confraters.

Bronnen:
- Archief nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- J. v.d. Kooij in Afrika Ontwaakt, jan. 1961, pg 18
- Onze Krant, nr. 106, dec. 1995.