Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande
Le Père Hein MONDÉ

 monde1  né le 1er février 1909 à Scheveningen
dans le diocèse de Rotterdam, Hollande
membre de la SMA le 27 juillet 1930
prêtre le 23 décembre 1933
décédé le 26 décembre 1985
 

1934-1946 missionnaire en Gold Coast, vicariat de Kumasi
Kumasi, Bechem, Berekum
1946-1958 Bemelem, puis Oosterbeek
supérieur provincial
1958-1973 Rome, élu deux fois supérieur général
1973-1984 Monte Cucco, retiré
1984-1985 Rome, généralat, retiré

décédé à Rome, Italie, le 26 décembre 1985,
à l'âge de 76 ans

Pater Hein MONDE (1909 - 1985)

Afkomst.

Henricus Petrus Mondé, zoon van Herman Petrus Mondé en Lucia Maria Dolphina Berloth, werd geboren te Scheveningen/ Den Haag op 1 februari 1909. Zijn vader werkte bij de Ned. Spoorwegen, doch kwam reeds in 1912 te sterven. Moeder begon een sigaren¬winkeltje, doch stierf spoedig hierna (1913). Henk, zoals hij als jongetje genoemd werd, had een één jaar oudere broer, later gehuwd met M. Vereec¬ken, en een zus. Het jongste van de vier kinderen is jong gestorven.

De moeder van Ed Hubert, eveneens een Vereecken, was een zus van mevr. Mondé, evenals Wies Vereecken (het latere 'thuis¬adres' van pater Mondé). De familie Vereecken heeft veel bete¬kend voor meerdere S.M.A.-leden onder de oorlog (zie C. Breu¬kel). Na het overlijden van hun ouders kwamen de kinderen Mondé terecht in het R.K. Weeshuis aan de Warmoezierstraat te Den Haag.

Opleiding.

Na de lagere school bij de broeders, ging Henk in 1922 naar het missie-college te Cadier en Keer. In 1928 ging hij naar Chanly in België, stu¬deerde philosophie en sloot het noviciaat af met de aflegging van de eed van lidmaatschap van de S.M.A. op 27 juli 1930. Vervolgens ging hij naar Engeland, waar hij te Hastings theo¬logie studeer¬de van 1930 tot 1934. Tijdens het vierde jaar, op 23 december 1933, werd hij door Mgr. Peter Amigo tot priester gewijd.

Missionaris.

Pater Mondé was een goed student geweest. Doch de tijd was nog niet aangebroken, dat jonge priesters werden benoemd om verder te studeren. Pater Mondé werd benoemd voor Ashanti in de Goud¬kust, met name voor het nieuwe missie-vicariaat van Mgr. Pau-lissen. Hij vertrok met de boot op 2 oktober 1934 en werd na aankomst benoemd voor de parochie van de stad Kumasi, waar hij meerdere ervaren missionarissen aantrof. Hier in Kumasi kon hij zich inwerken en de taal leren.

Na een half jaar, in april 1935, werd hij benoemd voor Bechem, de parochie van Gerrit van der Leeuw. Reeds in mei 1937 werd hij overgeplaatst naar Berekum, waar de Elzasser George Fis¬cher overste was, die echter spoedig op vakantie moest. In juli 1937 nam Hein, zoals hij door zijn confraters werd aange¬spro¬ken, de leiding van de parochie over van pater Fischer. Eind 1939 was hij aan de beurt om op vakantie te gaan. Vanwege de onzeker¬heid en oorlogsdreiging wilde hij liever even wach¬ten totdat de situatie wat zekerder en overzichtelijker leek. Dit zou duren tot na de oorlog in 1946!

Spoedig had hij een vertrouwenspositie verworven in het vica¬riaat. In 1938 werden de neomisten Ad Juijn en Jacques Visser naar Berekum gestuurd om door Hein Mondé ingeleid te worden in het missionaire leven, terwijl zij tevens de inlandse taal studeerden.

In 1939 kreeg hij als collega pater Theo Cup, die de op¬dracht had om Kwesibuokrom als hoofdstatie te openen. Dit ge¬schiedde, doch een jaar later, eind juni 1940, werd pater Cup ernstig ziek, de gevreesde zwartwa¬terkoorts. Hij stuurde bericht naar zijn buurman en goede vriend pater Hein Mondé te Berekum, een 30 kilometer van Kwesibuokrom. Bij aankomst van Hein begon Theo in het inlands het 'De Profun¬dis' te zingen:
"Mifi bun mu ara na mesu mafre wo, o Ewuradze;
Ewuradze, tsie me ndze".
Hij zei toen tegen pater Mondé: "Hein, het is met me gedaan (Me gaot de piep oet!)". Pater Mondé, Cup's beste vriend, heeft hem bediend en was tijdens deze ziekenzalving zeer aange¬daan. Zijn stem haperde soms van emotie. Doch pater Cup was zelf zeer rustig en vervolgde de gebeden waar Mondé even niet meer verder kon. Toen pater Mondé's gemoed vol schoot, zei pater Cup: "Toe nou, Hein, niet zo flauw, ik heb mijn tijd toch gehad. Knelis (i.e. pater Fabrie, een klasgenoot en goede vriend van Theo Cup, JvB) heeft het maar drie jaar volgehouden en ik zes; ik mag dus niet klagen". Hein heeft zijn zieke collega en buurman naar het ziekenhuis te Sunyani gebracht. Na meer dan een week strijd is Theo gestor¬ven. Pater Mondé heeft het lichaam naar Kumasi gebracht voor de begrafe¬nis.

De eerste Ashanti priester, Father Daniel Tawiah, ontving zijn eerste benoeming voor de missie van Berekum bij overste Hein Mondé en werd, in juli 1943, door Mgr. Paulissen persoonlijk naar Berekum gebracht en aan de bevolking geïntro¬duceerd.

Na de oorlog, zodra er weer accommodatie op schepen beschik¬baar was, ging Hein als een van de eersten op vakantie, want hij was nu in zijn twaalfde jaar in de afrikaanse tropen. Tevens was hij gekozen om de missionarissen van Ashanti te vertegenwoordigen op de provinciale vergadering van 1946. Deze werd gehouden in het seminarie te Aalbeek tijdens de zomerva¬kantie. Deze derde provinciale vergadering was in zekere zin 'revolutionair'. Nederland was juist bevrijd van de bezetter en ging nieuwe tijden tegemoet. Ook in de S.M.A.-provincie was het een-zich-afzetten tegen het verleden: men wilde vernieu¬wing, verjonging, wat anders, een nieuw elan. De leden in de huizen in Nederland kozen hun vertegenwoordigers uit hun jongste stafleden.

Tijdens de vergadering, op de dag van de verkiezingen, keken sommige philosophiestudenten, die niet op vakantie gingen, stiekem vanaf de trap door het raam boven de ingangsdeur van de kapel om te zien wie naar voren kwam om de anti-moder-nisti¬sche eed af te leggen. Het was voor hen 'die lange onbekende missionaris uit de Goudkust'.
Jaren later werd verteld, dat in eerste instantie Bernard Eerden gekozen was, doch dat die vanwege traumatische familie¬gebeurte¬nissen onder de oorlog, voor de eer bedankte.

Hein Mondé begon zijn periode als provinciaal overste. Kort samengevat betekende dit: de provincie brengen naar modernere tijden, modernisering van gebouwen en lesprogramma's, werken aan het 'jus promovendi', verdere studies van neomisten voor het college te Keer en de scholen in de Goudkust/ Ghana. Het geld moest gesaneerd worden en de financiële administratie gereor¬ganiseerd. Mondé wilde persoonlijk inzicht hebben in en de uiteindelijk verantwoordelijke controle over de financiën van de provincie. Hiervoor moesten harde en pijnlijke beslis¬singen genomen worden. Intussen had hij te Oosterbeek 'Hotel Tafelberg' gekocht ter vervanging van het oude huis te Beme¬len. Hij wilde weg uit het zuiden om ook meer centraal in het land te zitten. Provincialaat, propaganda, administratie en fondswer¬ving werden overgebracht naar Oosterbeek, waar tevens plaats was voor zieke en rustende missionarissen. In de missie moest een tiro¬ci¬nium voor de opvang van jonge missionarissen begon¬nen worden. Daarvoor ging hij terug op visitatie naar de Goudkust en regelde, samen met Ben Goot-zen, de S.M.A.-vesti¬ging te Winne¬ba.

In 1952 werd hij herkozen voor een nieuwe zesjarige periode. Na anderhalf jaar kreeg hij te maken met onverwachte proble¬men. Een groot gedeelte van het missiehuis te Cadier en Keer ging op 15 maart 1954 in vlammen op. Alternatieve accommodatie moest gezocht worden en werd gevonden bij de Trappisten te Lilbosch/Echt. De opbouw werd voortvarend aangepakt, hoewel dit heel wat financiële problemen meebracht. De strijd om de erkenning van het college ging door. In 1956, bij gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Sociëteit, werd pater Mondé benoemd tot Officier in de orde van Oranje Nassau.

In 1958 werd hij, als eerste nederlander, gekozen tot algemeen overste van de Sociëteit voor tien jaar. Dit is de enige tienjarige bestuursperiode geweest in de geschiedenis van de S.M.A. In 1968 is het teruggebracht naar 5 jaar en in 1983 keerde men weer terug naar de originele 6 jaar. Niettemin werd Hein Mondé, na een bestuursperiode van tien jaar, toch herko¬zen voor een termijn van vijf jaar. Hij stond bekend vanwege zijn slechte schriftelijke administratie, doch goede persoon¬lijke relaties. Hij maakte gemakkelijk persoonlijke contacten en was een charmant cau¬seur. Hij was bovendien een goede bestuur¬der, die zeer snel tot de kern van de zaak wist door te drin¬gen. Hij structureerde de Plenary Councils en bracht voor het eerst de provinciale economen bijeen te Rome en introdu¬ceerde, met hen, een uniform systeem van jaarlijkse financiële rapportage.

¬Met name de Ieren en Amerikanen waren zijn grote bewon¬de¬raars, omdat hij de S.M.A., in missio¬nair-religieuze kringen, inter¬na¬tionaal bekendheid heeft gege¬ven. Hij had contacten met andere hogere oversten in Rome en was initi¬atiefnemer van de oprich¬ting van SEDOS. Tijdens het Vaticaans Concilie, was hij actief betrokken bij het tot stand komen van het missie-de¬creet 'Ad Gentes'. Hij was een graag geziene gast bij de vrien-denclub van de Neder¬landers te Rome in de diverse hoofd¬bestu¬ren van religieu¬zen. Hij sprak vloei¬end frans en engels, wat voor deze functie ook een groot voordeel was. Door hem werd de S.M.A. internationaal in kerkelijke kringen beter bekend.

In de 15 jaar van zijn bestuurs¬pe¬riode zag hij praktisch de hele hiërarchie van de S.M.A.-missiege¬bieden overgaan van blank naar zwart, van europeanen naar afrikanen. Ook met de afrikaanse bisschop¬pen had hij over het algemeen gemakkelijk en hartelijk con-tact, al waren er wel wat strubbe¬lingen met het invoeren van contracten tussen bisdommen en de Sociëteit.

Hij slaagde erin om in Rome een stuk bouwgrond te bemachtigen op de Via delle Nocetta om daar een nieuw generalaat te bou¬wen. De oude behuizing op de via dei Gracchi, een ideale locatie, werd goed verkocht. Ook assisteerde hij de zusters van Liefde van Til¬burg bij de bouw van een huis op de Monte Cucco. Toen in 1973 zijn bestuursperiode ten einde kwam, besloot hij in Rome te blijven en trok hij zich terug bij de zusters van Liefde op de monte Cucco. Dat jaar ook zou hij 40 jaar priester zijn. Op koninginnedag 30 april 1973 bij gele¬genheid van zijn afscheid als algemeen overste, werd hij door de nederlandse regering benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In 1984 trokken de zusters van Liefde zich terug uit het grote gebouw op de Monte Cucco, dat overging naar een spaanse zus¬tercongregatie. In overleg met, en op kosten van, de neder¬land¬se S.M.A.-provincie werden in het generalaat van de S.M.A. twee apartementjes gemaakt voor pater Mondé en Zr. Cunera Borst, die hem de laatste jaren op de Monte Cucco had ver¬zorgd. Want physiek ging het niet goed met pater Mondé. Rond Pasen 1984 nam hij zijn intrek in 'zijn eigen' gebouw.

Gestorven.

Hoewel zijn gezondheid veel te wensen overliet en hij steeds meer verzorging nodig had, genoot hij van de internationale contacten. Men kwam hem graag begroeten en om advies vragen.
Toen de verzorging van Hein voor Zr. Cunera alleen teveel werd, kwam Wies Vereecken, schoonzus van zijn reeds overleden broer Jan, en bij wie Hein de laatste jaren logeerde als hij op vakantie in Den Haag was, haar hierbij assisteren. Falco Thuis, algemeen overste van de Carmelieten, heeft Hein de zie¬kenzalving toege¬diend. Op 26 december 1985, 's nachts om kwart voor één, is hij overleden, 76 jaar oud.

Op zaterdag 28 december 1985 was de plechtige uitvaartdienst in de kapel van het generalaat van de S.M.A. in Rome. Provin¬ciaal van Hoof met Jaap Bakker, ook Scheveninger, zijn hier¬voor naar Rome gevlo¬gen. Kardinaal Gantin ging voor in de uitvaartdienst, provinciaal Harrie van Hoof hield de homilie en algemeen overste Patrick Harrington verrichtte de absoute. Pater Mondé is te Rome begraven in het S.M.A.-graf op de Campo Vera¬no, dichtbij de basiliek van St. Lauren¬tius, bij zijn colle¬ga's Jacob Muyser en Erwino Riedel.

Bronnen:
- Archief nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- Th. Veldboer in 'Onze Krant', nr. 67, maart 1986.