Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

LEEUWEN Ferdinand né le 17 avril 1920 à Amsterdam
dans le diocèse de Haarlem, Hollande
membre de la SMA le 15 juillet 1942
prêtre le 21 décembre 1946
décédé le 20 novembre 1997

1947-1970 missionnaire en Gold Coast
Asikuma, Sekondi, Tarkwa
Eikwe, Axim, Half Assini
Dawurampong, Apam, Bibiani
1970-1986 en paroisse au Canada, diocèse de Nelson
Nelson, Cranbrook, Trail, Sparwood
1986-1997 Purmerend, retiré en famille
1997 Cadier en Keer

décédé à Cadier en Keer, Hollande, le 20 novembre 1997,
à l'âge de 77 ans


Pater Ferdinand van LEEUWEN (1920 - .1997)

Geboren.

Ferdinandus Cornelius van Leeuwen, zoon van Johannes Bernardus van Leeuwen en Anna Maria van Muijden, werd geboren te Amster¬dam op 17 april 1920 en daags erna gedoopt in de parochiekerk van de Martelaren van Gorcum te Watergraafsmeer, Amsterdam.
Vader was gemeente-arbeider en Ferdinand was één van de jong¬sten in dit grote gezin van zeven jongens en vijf meisjes. Hij was zes jaar, toen zijn broer Wim in 1923 te Blitterswijck bij de S.M.A. intrad. Meerdere broers en zusters van hem kozen voor het religieuze leven en traden in bij de Jezuïeten, de congregatie van de H. Geest en van de Kleine Zus¬ters van de H. Joseph (Mgr. Savelberg, Heerlen).

Opleiding.

Na de lagere school ging Ferdinand in 1934 naar de priester-missionarisopleiding van de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën te Nieuw Haerler, St. Michielsgestel en van daaruit, in 1937, naar Cadier en Keer. Philosophie en theologie studeerde hij te Aalbeek. Hij was een redelijk student, degelijk en vroom, maar zenuwachtig en wat arrogant, zelfbewust en lichtgeraakt. Toch had de staf vertrouwen in de verdere ontwikkeling. Op 15 september 1942 werd hij, door eedaflegging, tijde¬lijk toegela¬ten tot het lidmaatschap van de Sociëteit en drie jaar later werd hij permanent lid door aflegging van de eeuwi¬ge eed. Door oorlogsomstandigheden verloor hij een stu¬diejaar en bracht de hongerwinter van 1944/45 door in Amster¬dam. Op 21 december 1946 werd hij in de kapel van het semina¬rie te Aal-beek door Mgr. Paulissen priester gewijd. Op 29 december 1946 deed hij zijn eerste plechtige H. Mis in de 'Vredeskerk' te Amsterdam.

Missionaris.

Pater Ferdinand van Leeuwen werd benoemd voor de missie en vertrok op 18 mei 1947 naar het vicariaat van de Goudkust. Na talenstudie en een inwerkperiode te Winneba en Asikuma bij de jonge priesters Lennertz en Görtz, die een jaar eerder uitge¬komen waren en nu oversten-op-vakantie aan het vervangen waren, werd Ferdinand benoemd tot assistent te Sekondi bij overste Huub Somers en na twee jaar, van januari 1948 tot januari 1950, overgeplaatst naar Tarkwa bij Harrie Sevriens.
Van hierin ging hij, in mei 1952, op vakantie naar Nederland.

Zijn tweede toer bracht hij in Eikwe door, eerst als assistent bij pater Pot en vanaf 1954 als overste. Daar kreeg hij Frits van Veijfeijken en, na diens vertrek wegens ziekte, Leo Op 't Hoog als assis¬tent. Eikwe was altijd een moeilijke plaats geweest: geïsoleerde ligging en moeilijk te bereiken. Het was maar een dorpje met heel weinig voorzieningen en geen winkels. Van hieruit werden een 25 buitenstaties in de omliggende dorpen door de missiona¬rissen bezocht, bijna allemaal te voet. Er was nauwelijks voldoende werk voor twee priesters en finan¬ciële middelen voor hun onderhoud waren hiertoe ontoereikend. Daarom werd één van hen vanuit het hoofdkwartier door de bisschop gesubsidieerd. Doch er moesten twee priesters op deze missiepost zijn, omdat het contract van de aanwezige religieu¬ze communiteit van zusters met de bisschop, bepaalde dat er regelma¬tige (dagelijkse?) eucha¬ristievie¬rin¬gen moesten plaats¬vinden.

Na zijn vakantie in 1957, volgde voor Ferdinand een periode van vervanging van pastores op vakantie. Het was nog in de periode van de vijf-jarige toers, waarna de missionaris recht had op zes maanden vakantie. Daarbij kwamen nog twee zeerei¬zen, want het vliegverkeer kwam pas in de zestiger jaren op gang. Bootreizen duurden 3 à 5 weken, maar je wist nooit precies wanneer de boten gingen. Met de inwerking en overhan¬digingen vóór en ná vertrek en aankomst van de pastoor was je gemiddeld één á anderhalf jaar verder. Ferdinand verving achtereenvol¬gens Huub Somers te Sekondi, Henk Soutberg te Axim, en vulde de vacature te Shama tot de komst van Harrie Portier. De resterende tijd van deze toer was hij assistent te Half Assini bij Jan de Rooij.

Na terugkeer van vakantie, in januari 1963, werd hij benoemd als overste van Dawurampong. Deze statie was acht jaar eerder door Joep Lochtman geopend als hoofdstatie. Het was een leuke agrarische plaats in het binnenland. Doch de vissersplaats Apam, gelegen aan zee, met meerdere voorzieningen en goed bereik¬baar vanaf de autoweg Cape Co¬ast ¬- Accra, was volgens Ferdinand een veel betere plaats als centrale hoofdstatie en woonplaats van de priester. Hij begon dan ook te werken in die richting en stimuleerde de bouw van een nieuw missiehuis, boven op een heuvel met uitzicht over de zee. Het werd een echte burcht, min of meer in de vorm van een limburgse boerde¬rij, met een om¬muurde bin¬nenplaats en slechts één ingang. Ferdinand hield van zekerheid en veiligheid. Op 20 december 1965 verhuisde hij van Dawurampong naar Apam.

Na terugkeer van zijn vakantie in januari 1968, werd Ferdinand tot zijn teleurstelling, benoemd tot pastoor van Bibiani. Hij had gehoopt terug te gaan naar Apam, zijn trots! Hij was echter bij de bouw van de missie in Apam en de verplaatsing van Dawurampong naar Apam, nogal eigenzinnig en zonder veel samenspraak met het bisdom te werk gegaan. Op zijn beurt had de aartsbisschop deze keer ook geen gebruik gemaakt van in¬spraak.

Bijna drie jaar is hij te Bibiani geweest. Het eerste jaar was Harrie Leyten zijn assistent en daarna Francis Assamoah. In januari 1970 werd de Western Region, waarin Bibiani lag een zelfstandig bisdom onder de naam van Sekondi-Takoradi en werd mgr. Joseph A. Essuah benoemd tot eerste bisschop. Rond die tijd kreeg hij ook bericht dat zijn moeder was overleden. Ferdinand kwam in een dip en de schwung was eruit. Naar Apam zou hij wel terug willen en de mensen daar zouden hem ook graag weer als hun pastoor hebben, temeer daar de verhouding tussen zijn opvolger en het kerkbestuur niet goed was.

In september stuurde Ferdinand een telegram naar de regionale overste te Winneba. Deze ging naar Bibiani en zag dat Ferdi¬nand op was, psychisch en physiek: hoofdpijnen, physieke vermoeidheid, slecht zicht van de ogen, koorts, bilharziasis. De doktoren adviseerden terugkeer naar Nederland, een medische check-up en een goede rust.
Rust had hij hard nodig, want achter een wat lawaaierig uiter¬lijk optreden, schuilde een hunkering naar veiligheid en zekerheid. Hij was een rechtschapen en eerlijk mens en kwam onverbloemd uit voor zijn overtuiging, hoewel niet altijd even tactisch. Tegelijkertijd speelde bij hem altijd een zekere achterdocht. Al deze facto¬ren hebben altijd een rol gespeeld in zijn leven en speelden ook nu mee in deze situatie waarin hij zich bevond, en waarin het onzekere toenam.

Op 20 ok¬tober 1970 vertrok Ferdi¬nand naar Neder¬land. In febru¬ari 1971 werd hij voor behande¬ling in het St. Franciscus¬zie¬kenhuis te Rotterdam opgenomen. Daar stopte hij ook ineens met roken, toen de dokter een bemerking tegen deze verwoede pijp¬roker maakte, dat het eigenlijk beter zou zijn, daarmee te stoppen. "Maar dat kunnen jullie toch niet", liet deze hierop volgen. "Wat?!" gromde Ferd uitdagend met een vraag- en uit¬roepteken, en heeft sindsdien geen pijp meer aangeraakt.
In zijn herstelperiode besloot hij niet terug te gaan naar Ghana en begon met een cursus duits. Een uitnodiging van Jan Koenders richtte zijn vizier op Canada. In september 1972 kreeg hij bericht van de bisschop van Nelson, B.C., Canada, dat hij welkom was in zijn bisdom. Het duurde nog enige tijd voordat hij zijn visum kreeg vanwege de bureaucratische afhan¬deling, en daardoor het lang uitblijven, van de benodigde papie¬ren uit Ghana inzake politieke en burgerlijke betrouw¬baar¬heid. Eindelijk kon hij in maart 1973 vertrekken.

Hij was eerst een half jaar assistent aan de kathedrale kerk te Nelson:
"een mooie kans om me langzaam in te werken, zowel wat be¬treft het 'canadean english', als de gewoonten en het kerkle¬ven".
De bisschop kreeg hiermee tevens een mooie gelegenheid om de nieuw aangekomen priester beter te leren kennen.
In september 1973 werd Ferdinand pastoor te Cranbrook en twee jaar later te Trail. In 1977 werd hij pastoor te Sparwood. Daar is hij gebleven tot 3 juli 1986. Met Jan Koenders, Stef Kersten en later nog even met Herman Engberink, allen met een gemeen¬schappelijk verleden in het aartsbisdom Cape Coast in Ghana, vormden zij het nederlandse S.M.A.-team in Canada. Jaarlijks kwamen ze op vakantie naar Nederland. Zij onderhiel¬den trouw hun contacten met de S.M.A., en voornamelijk ook met de Prokuur in Oosterbeek. Ferdinand zou ook altijd, vanuit Canada en later vanuit Purmerend, zijn klasgenoten Huisman en Kersten komen bezoeken.

In 1986 besloot hij terug te gaan naar Nederland. Hij had toen zijn pensioenge¬rechtigde leeftijd bereikt en ging wonen bij zijn ongetrouwde jongere broer en zus, waar hij de laatste tijd ook altijd zijn vakanties had doorgebracht.
Deze waren inmiddels verhuisd van Amsterdam-Bijlmermeer naar Purme¬rend. In het nabijgelegen kloosterverzorgingshuis St. Agnes te Egmond aan Zee woonden hun broer en zus: broeder Wim S.M.A. en zr. Florence. Ferdinand assisteerde wat mee in het pastorale team van Purme¬rend op vrijwillige basis, zonder verdere speci¬fieke verplich¬tingen. Elf jaar hebben ze daar samen gewoond als een hechte eenheid, doch elk op een eigen verdieping van hun flatje, met een grote mate van vrij¬heid en zelf¬standigheid. De laatste paar jaren werd dit echter steeds problematischer. Alle drie hadden of kregen gezondheidspro¬blemen. Toen het voor Ferdi¬nand duidelijk werd dat hij aan een vorm van leukemie leed, besloot hij zijn broer en zus daar niet verder mee te belas¬ten.

Gestorven.

Regelmatig moest hij naar de bloedtransfusie¬dienst en de tussenposes werden steeds korter. Op 10 juli 1997 kwam hij naar het mis¬siehuis te Cadier en Keer.
Begin september zag je hem duidelijk achteruit gaan. Hij werd meer wantrouwig en achterdochtig. Hij begon steeds meer in de war te raken. In oktober maakte hij zelfs een nachtelijk uit¬stapje op de Bemelerweg. Het ziekteproces leek zich te gaan versnellen. Op 20 november 1997 overleed hij, in het bijzijn van twee zussen. Hij werd 77 jaar oud.

Tijdens de plechtige uitvaartdienst in de kapel van het mis¬siehuis te Cadier en Keer ging overste Wim van Frankenhuijsen voor in de conce¬lebratie, met assistentie van o.a. de twee klas¬genoten Wil Huisman en Stef Kersten. Daarbij werd hij bij zijn con¬fraters begra¬ven op het nabijgele¬gen priester-kerkhof.

Bronnen:
- Archief nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- Onze Krant nr. 113, december 1997.