Imprimer

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

né le 28 septembre 1897 à Albrechtsberg
dans le diocèse de Linz, Allemagne
membre de la SMA le 20 décembre 1937
serment permanent le 2 juillet 1946
décédé le 25 janvier 1979

1943-1946 Australie
1946-1952 Hastings
1952-1962 London
1963-1974 Oosterbeek, administration
1974-1978 Heemskerk, retiré
1978-1979 Rosmalen, retiré

décédé à Rosmalen Hollande, le 25 janvier 1979,
à l'âge de 82 ans



Pater Franz GEIER (1897 - 1979)

Afkomst.

Franz Geier, zoon van Franz Geier en Franziska Keilfusz
werd geboren te Albrechtsberg, bisdom St. Pölten, Oosten¬rijk, op 28 september 1897.
We hebben geen verdere familiegegevens in ons archief.

Opleiding.

Van 1 mei 1904 tot 29 april 1911 heeft Franz in zijn geboorte¬plaats Albrechtsberg a.d. Gr. Krems de lagere school bezocht.
Daarna werd hij kleermakersleerling en was "Mitglied des kath. Gesellevereines in Krems'.

Op 8 november 1921 is Franz ingetreden als postulant in het opleidingshuis voor broeder-missionaris van de Afrikaanse Missiën te Blitterswijck, dat het jaar ervoor geopend was. De Elzasser pater Hirsch heeft hiervoor nogal propaganda gemaakt in Duitsland. Meerdere duitse kandidaten zijn in die jaren ingetreden (zie b.v. 25.10.1976: Erwino Riedel). Op 2 april 1922 begon Franz zijn noviciaat. In september 1923 werd hij overgeplaatst naar Bemelen en functioneerde daar als portier / kleermaker. Op 27 april 1924 werd hij tijdelijk lid van de Sociëteit door de eedaflegging voor twee jaar ten overstaan van de provinciaal H. Paulissen. In april 1926 her¬nieuwde broeder Franz zijn eed niet: hij trad uit en vertrok.

Daarna is hij ingetreden als lekenbroeder bij de Benedictij¬nen, legde de geloften af voor drie jaar, doch vroeg in sep¬tember 1934 of hij kon terugkomen bij de S.M.A. In oktober 1934 werd hij als knecht op proef voor zes maanden aangenomen te Beme¬len. Op 9 april 1935 begon hij opnieuw zijn postulaat en noviciaat te Ore Place, Hastings, in Engeland. Op 20 decem¬ber 1937 nam de overste, pater Kennis, hem de eed af voor twee jaar.

Missionaris.

'Brother Francis', zoals hij daar in Engeland kwam te heten, kreeg geen benoeming voor de missie: zijn missionaire bijdrage was het maken van togen voor paters, broeders en seminaristen, en het verstellen of vermaken van hun kleren. Dat deed hij te Blitterswijck en Bemelen, dat deed hij ook te Hastings met, mogelijk, een bijbaantje.

Terwijl de seminaristen op vakantie waren in 1939, brak de wereldoorlog uit en werd het seminarie te Hastings gevor¬derd door het leger. De aanwezigen vonden onderdak in huize "The Wilderness" te Hastings. Ook broeder Francis Geier nam daar zijn intrek, doch, helaas, niet voor lang. Daar hernieuw¬de hij wel zijn eed voor vier jaar op 21 december 1939, doch met zijn oostenrijk¬se nationaliteit behoorde hij tot de 'vijandige mogendheden'. Op 12 mei 1940 werd hij, als nr. 35332, geïnter¬neerd. Achtereenvolgens zat hij in het interneringskamp Bay Hotel te Seaford in Sussex (16.05.1940), Alien Internment Camp Huyton near Liver¬pool (20.05), Douglas, Isle of Man (14.06), en ten¬slot¬te naar het inter-nerings¬kamp Tatura in Victori¬a, Austra¬lië (24.01.1941).

Op 12 mei 1943 schreef broeder Geier naar pro¬vinciaal ten Have te Beme¬len via de 'Pri-soners of War Servi¬ce':
"I am well and in good spirits. I have so much work, there is not much room for leasure. I have the care for the chapel, for the Father who is interned with me, and I am sewing for the camp 6 hours a day and I also keep the devotions, prescribed in our Constitutions.
To-day, on the 12th of May, I am interned already 3 years and I marvel how quick time passed away. I have of course lots more to tell you all but this cannot be done unless I am back again. The military authorities are treating us well and we are well cared for with food and clothing. For my sewing, I get every week a few shillings".

Op 24 augustus 1943 stuurde Brother Francis Geier, de la Salle Training College, "Oakhill", Castle Hill, New South Wales, Australië, een boodschap via het 'Australian Red Cross Socie¬ty' naar 'Rev. Father James ten Have, Provincial Superior African Missions' te Bemelen met de volgende boodschap:
"I am allowed freedom to remain at College. In good health. Trust you are well. Hope for early reunion.
C¬hristmas and New Year greetings."
Op dit Rode Kruis 'Message service' staat ergens een stempel '2 MARS 1944'.

Op 21 december 1943 liep zijn eed, afgelegd voor vier jaar, af. Daarom heeft hij op die datum zijn eeuwige eed afgelegd in Australië, "Done in exile at the De La Salle College 'Oakhil' on 21 December 1943". Het papier met de uitgetypte eedsformu¬le, door broeder Francis Geier ondertekend, was medeonderte¬kend door de provinciaal overste van de Broeders van de Chris¬telij¬ke Scholen, die de eed afnam, en de broeder-directeur van het 'Training College'. Als P.S. vermeldde hroeder Francis:
"I will do the ceremonial part as soon as I am in the Society again".

Op 8 februari 1946 keerde broeder Francis vanuit Australië terug in Engeland en ging opnieuw naar 'the Wilderness' te Hastings. Daar ook heeft hij, op 2 juli 1946, opnieuw zijn eeuwige eed afgelegd, ten overstaan van de hiervoor gemachtig¬de over¬ste Martin Nadorp.

In 1952 werd het S.M.A. huis 'the Wilderness' te Hastings verlaten. Broeder Francis ging met de andere bewoners mee naar het gekochte huis aan de Fitsjohn's Avenue te Hampstead in Londen. Dit huis diende tevens als 'hostel for students': zowel S.M.A. priesters, die voor verdere studies naar Londen kwamen, alsook studenten uit derde-wereld-landen.

In 1962 werd broeder Francis 65 jaar. Intussen was de engelse provincie van de Sociëteit opgericht. Hij bracht een bezoek aan zijn dierbaar Oostenrijk en vestigde zich na terugkeer in het missiehuis te Cadier en Keer. In deze communiteit vierde hij (stralend!!), in december 1962, zijn zilveren jubileum van herintreding, gecom¬bineerd met het zilveren priesterjubileum van pater Jan Coo¬len. Een jaar later kwam hij naar huize Tafel¬berg te Oos¬ter¬beek, waar hij nog wat kon meehelpen in de admini¬stratie. In zijn vrije tijd hield hij zich bezig met zijn postzegelcol¬lec¬tie.

Met gemengde gevoelens heeft broeder Frans Geier, in 1970, het nederlands s-taatsburgerschap aangevraagd. Het zat hem dwars dat hij, hoewel boven de 65 jaar, geen financiële bijdrage kon leveren aan het huis. Van de andere kant was hij, in hart en nieren, een oostenrijker met een diepe verering voor keizer Franz-Joseph en nog meer voor zijn vrouw. Bij koninklijk besluit van 4 november 1970 werd door koningin Juliana aan Franz Geier 'het Neder¬landerschap' verleend. Toen provinciaal econoom Louis Moonen hem dit meedeelde, stond Francis op en 'met de pink op de naad van de broek' zong hij het 'Wilhel-mus'. Nogmaals, met pijn in zijn hart was hij toch trots, nu een volwaardig huisgenoot te zijn en door zijn AOW een finan¬ciële bijdrage te kunnen leveren.

Gestorven.

Geleidelijk zag men hem achteruitgaan. Zijn lichaam, vooral zijn benen, wilden niet meer mee. Zijn ziekte werd benoemd als een soort 'polioneuritis'; hij ¬begon steeds gebrekkiger te lopen en werd hulpbehoevender. De Tafelberg was toenter¬tijd echter nog geen erkend bejaardenhuis en kon efficiënte hulp en verzorging niet voldoende geven. Op 3 oktober 1974 werd brot¬her Francis opgenomen in het verpleeghuis St. Joseph te Heems¬kerk, waar ook broeder Odulf Brantjes al enkele jaren gewoond had en waar broeder Jan Geuskens regelmatig onderdak genoot, als hij voor de S.M.A.-propaganda in Holland werkzaam was.

In september 1978 is hij verhuisd naar verpleeghuis 'Maria-oord' te Rosmalen. Daar is hij 25 januari 1979, 's middags om 2.00 uur overleden. Hij werd 81 jaar oud.

Op 30 januari 1979 vond de gezongen uitvaartdienst plaats in de kapel van het missiehuis te Cadier en Keer, waar ook de absoute plaats vond. Vanwege het slechte weer, kou en glad¬heid, werd aan de aanwezigen gevraagd niet mee te gaan naar het kerkhof. Enkel de dragers met de hoofdcelebrant (en zijn trouwe vriend broeder James Triepels, die jarenlang samen met hem in Engeland woonde) vergezelden het lichaam naar het kerkhof, waar het werd bijgezet in het grafkeldertje (oor¬spronkelijk bedoeld voor de S.M.A.- bisschoppen), omdat men vanwege de vorst geen graf had kunnen delven.

Bronnen:
- Archief Nederl. Provincie S.M.A., Cadier en Keer.
- Onze Krant, nr. 34, dec. 1977 en nr. 39, maart 1979.
528 Staatscourant.